Herinneringen aan de verkenners

Henk Meijer uit Doornenburg stuurde ons een tijd geleden een
lang verhaal over wat hij meemaakte in de jaren 1947-1949 bij de
verkenners, omdat die tijd in het 40-jarig jubileumboek over de
verkennerij ontbreekt. Hij beschreef o.a. het mis dienen en zijn
belevenissen zijn weliswaar onschuldiger dan het huidige nieuws
over de Kerk, maar laten zien dat toen ook niet bepaald
christelijk gehandeld werd. Even verderop vertelt hij over de
verdrinkingsdood van twee hopmannen.
Wij waren toen de grote verkenners, voortrekkers. Voor een
bepaalde graad moest je ook de mis kunnen dienen. Je werd dan
voorbereid en dan moest je als misdienaar optreden. Eerst met
twee man en later ook alleen. Dat was een hele ervaring. Als je
het dan onder de knie had, kreeg je een aantekening en een
onderscheiding. Zo waren er meer van die dingen, zoals zwemmen
met bepakking, spoorzoeken, sterrenkunde, seinen met Morsetekens
en nog veel meer. Maar de mis kunnen dienen had tot gevolg dat
je vaker werd ingedeeld bij gewone diensten. Wij woonden nogal
ver van de kerk, zeker in de winterdag en met hoogwater, dus
voor ons was dit niet erg gemakkelijk.
Maar het vervelendste was, dat er toen een oude pastoor, pastoor
De Roever, in een huis woonde wat 'De Kroon' werd genoemd. Dit
was op de Markt, waar je nu de Torenlaan in gaat. Die pastoor
had daar ook een kamer met een altaar en droeg elke morgen zelf
de mis op. Daar moest hij dan ook minimaal een misdienaar bij
hebben. Die pastoor was voor ons echt een serpent; altijd
mopperen en niets wat je deed, was goed.
Geen enkele misdienaar wilde daar erg graag naar toe. Daar
hadden de andere priesters iets op verzonnen. Als je de mis
moest dienen in de kerk, dan lieten zij bewust iets fout gaan.
Bijvoorbeeld het boek omzetten van de epistelkant naar de
evangeliekant. Dat deden ze dan zelf. Je was dan iets te laat en
had dus een fout gemaakt. Dan was je de klos en moest je een
week naar bovengenoemde pastoor gaan om hem daar te dienen. Wat
een slimmerds en wij allemaal balen. Ik heb vaak gewenst, want
ik was zelf ook vaak de klos, dat hij zou vallen als hij de paar
treden van het altaar afstapte, want hij was heel slecht ter
been. Dan waren wij van hem af. Foute gedachten, maar ja,
meerdere jongens kunnen dit nog beamen.
In bijna twee jaar tijd verloren we bij de verkenners twee
hopmannen. De een was Gertje Peters. Hij verdronk op 22 juli
1947 bij het zwemmen in de Waal bij de Zandberg. Hij was daar
alleen naar toe gegaan en niet meer teruggekomen. Zijn vader,
Frans Peters, vond hem daar na een paar dagen. Na onweer is het
lichaam toen naar boven gekomen. Iedereen was erg overstuur. Hij
was hopman bij de gewone groepen. Zelf werkte ik toen bij het
timmerbedrijf van Chr. Schouten, vlakbij het toenmalige klooster
(waar nu Van Hetem de chocoladefabriek is gevestigd). 's Morgens
ging de baas de maat nemen van de doodskist en dezelfde dag werd
de kist door ons gemaakt. Daarna werd het lichaam in de kist
gelegd. Dat deden wij wel meer, maar nu was het geen lolletje
omdat de ontbinding van het lichaam al was begonnen. De volgende
dag begon de kist te lekken en moesten wij de kist waterdicht
maken met vetpapier. Dat was een hele operatie. Het kwam voor
elkaar, maar men vond het riskant het lichaam nog langer boven
aarde te laten. De volgende dag zou de begrafenis wel zijn, maar
er werd besloten hem des avonds met een paar mensen te begraven.
Wij moesten ook mee. De volgende dag was er een reservekist om
de begrafenis mee te houden. Dit gebeurde dus zonder dat de
overledene in de kist lag, dus met een lege kist. Weinig mensen
zullen daar iets van gemerkt hebben. Alleen was het afscheid
nemen niet bij het graf, maar op een plaats op het kerkhof. Het
was een geweldig emotioneel gebeuren.
Op 28 juli 1949 verdronk hopman Theodorus de Jong. Deze keer bij
Cornelissen bij de werf in Hulhuizen. Hij was nog wel bij de
marine; onbegrijpelijk. Weer dat hele nare afscheid nemen van
een leider. Iedereen was helemaal op.
Henk Meijer