Het geheim

Het geheim achter scherf en bot

Geschreven door Wim J.M. Otemann

Dit artikel valt uiteen in twee delen. Eerst wordt de stand van zaken op archeologisch gebied in Gendt in 1983 geïnventariseerd, het beginjaar van de sectie archeologie van de historische kring1, gevolgd door een verantwoording van de werkwijze. In het tweede deel beschrijven we de belangrijkste vondsten.

Deel 1

Situatie in 1983

Toen de sectie in 1983 haar werk begon, was er al archeologisch onderzoek gedaan, o.a. door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (sinds 2006 Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten). Uit dat eerdere onderzoek was vast komen te staan dat de eerste bewoners van Gendt, lang voordat het dorp zijn naam kreeg, op drie plaatsen gewoond hebben2:

1. een grote cirkel rond boerderij de Woerd.

2. het gebied Flieren – Hegsestraat.

3. ’Gannita’: dat is het gebied begrensd door Dijkstraat – Markt – dijk – Burchtgraafstraat.

Vanaf 1983 is er in deze woonkernen en de (wijde) omgeving daarvan door onze sectie gewerkt. Uit het aangetroffen materiaal is helder geworden waar wel en waar geen bewoning was in Gendt. Maar vooral hebben we een veel duidelijker beeld gekregen van de tijdsfase van die bewoning, anders gezegd, wanneer er mensen op die plaatsen gewoond hebben.

Om inzicht te krijgen over welke tijd we het hebben, volgt hier eerst een indeling die de Nederlandse archeologen gebruiken bij hun datering. Het spreekt (bijna) vanzelf dat de genoemde jaartallen niet absoluut zijn, maar dat er sprake is van (ruime) overgangsperioden.
Steentijd tot 1700 v. Chr.
Bronstijd 1700 – 700 v. Chr.
Midden IJzertijd 550 – 250 v. Chr.
Late IJzertijd 250 v. Chr. – 50 v. Chr.
Vroeg Romeinse tijd 50 v. Chr. – 50 n. Chr.
Midden Romeinse tijd 50 – 270
Laat Romeinse tijd 270 – 400
Vroege Middeleeuwen: Merovingische periode 400 – 750
Vroege Middeleeuwen: Karolingische periode 750 – 1000
Late Middeleeuwen: 1000 – 1500
Heden: 1500 – Heden

Werkwijze

In de eerste jaren van ons bestaan heeft de sectie archeologie zich voornamelijk beziggehouden met zgn. Landesaufnahmen. Dat is een methode waarbij systematisch een onbebouwde, geploegde akker afgelopen wordt en alle voorwerpen – scherven, stenen, keien en koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen – worden verzameld. Al deze vondsten zijn daarna gewassen, gedetermineerd, beschreven en voorzien van een vondstnummer en op jaartal, straatnaam en, indien mogelijk veldnummer, geregistreerd. Tenslotte legden we de coördinaten vast.

Door deze manier van aanpak die we ruim honderd keer toegepast hebben, is er in de afgelopen 25 jaar een beeld ontstaan van waar we wel en niet sporen in ons bodemarchief kunnen verwachten. Dat beeld is jammer genoeg niet helemaal compleet, omdat we genoemde methode maar in een relatief klein gebied van Gendt konden uitvoeren; je krijgt namelijk alleen op een onbebouwde akker een eerlijk beeld van de oude bewoning of activiteit. Dat wil niet zeggen dat een weiland niet geschikt zou zijn voor deze werkwijze, maar de kans dat hier iets aan de oppervlakte komt is vele malen kleiner. Hier moet je het hebben van de aanwezige molshopen.
We hebben vrijwel alleen maar onderzoek gedaan op de hoge(r) gelegen percelen en op en langs de oeverwallen. Vóór de bedijking (± 1300) was het niet mogelijk op een laag gedeelte te wonen. Dat betekent dat we daar geen vondsten kunnen verwachten. Uit eigen waarneming, maar ook uit schriftelijke bronnen was bekend waar in Gendt de oeverwallen en de hooggelegen ruggen te vinden zijn.

Bekende vindplaatsen

Tot het verdrag van Malta in werking trad, heeft de sectie opgravingen verricht op de drie bovengenoemde oude bewoningsplaatsen en op locaties die vanaf de bedijking bewoond zijn. Bij die laatste , dus recenter bewoonde groep, valt te denken aan de Poelwijk, de Hagevoort en Walburgen. Soms kwam de sectie bij toeval achter een vindplaats, omdat een bewoner bij een verbouwing of werkzaamheden op het land op archeologisch materiaal stuitte. Een voorbeeld hiervan is de gouden Anastasiusmunt die mevr. Ineke Schouten-Otemann vond bij het poten van tuinplantjes. En zo vonden we bij de Poelwijk tijdens het graven van een rioleringssleuf heel mooi aardewerk en een fragment van beschilderd glas. En op het terrein van de al gesloopte boerderij Walburgen trof de voormalige eigenaar, de heer Kersten, in 1986 enkele scherven aan bij het aanleggen van een waterput.

Andere keren waren de vondsten minder toevallig. Dat was het geval wanneer we op de hoogte waren dat er bouwwerkzaamheden gepland waren op plaatsen waarvan we verwachtten dat er iets interessants te vinden zou zijn. Dan is het bemoedigend dat een eigenaar, de gemeente of een aannemer bereid is om (graaf)werkzaamheden een tijdje uit te stellen, zodat er tijd is voor (enig) onderzoek. Want het unieke, maar tegelijk het vervelende van archeologisch onderzoek is dat het maar één keer gedaan kan worden. Een onderzoeker die documenten of boeken als bron gebruikt, kan die honderden keren raadplegen. Dat is helaas bij het bodemarchief onmogelijk; de oorspronkelijke situatie bestuderen gaat maar één keer. Daarna is het terrein verstoord en kan het nooit meer in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht worden. Daarom is een zorgvuldige opgraving en registratie onontbeerlijk. Het komt steeds vaker voor dat moderne archeologen materiaal in de grond laten zitten, zodat toekomstige onderzoekers met nieuwere methoden meer gegevens uit de opgegraven voorwerpen kunnen halen. Voorbeelden van zulke locaties met een bepaalde verwachtingswaarde in Gendt zijn de Loohof en het erf van Piet Gerritsen in de Angerensestraat. Bij de laatste was de verwachting dat daar materiaal aangetroffen kon worden relatief hoog, omdat het perceel grensde aan een Romeins grafveld. Jammer genoeg werd er niets gevonden, maar hoe gek het ook mag klinken: niets vinden is ook een resultaat.

Voor ons als sectie archeologie was het graven van een glooiing langs de Linge voor de aanleg van een ecologische wateroever interessant. Onderzoek van de vondsten heeft nieuwe opvattingen opgeleverd over de bewoners en hun levenswijze (beschrijving 4).

Nieuwe vindplaatsen

Er is één volkomen nieuw vondstgebied in Gendt aan het licht gekomen. Dat gebeurde in het kader van de dijkverzwaring (1990-1995) toen een ongeveer 400 meter lange strook langs de dijk in Hulhuizen onderzocht kon worden. Uit sporen die bij graafwerkzaamheden blootgelegd zijn, is duidelijk geworden dat daar in de voorbije twintig eeuwen onafgebroken mensen gewoond hebben. We wisten wel dat er oude cultuurgrond aanwezig was, maar dat was dan ook alles. Een van de resultaten was de ontdekking van een inheemse woning in de buurt van de scheepswerf. De sporen van vijf rijen houten palen tussen de muren die de dakconstructie droegen, waren dankzij de goede conservering in de kleigrond nog duidelijk zichtbaar (beschrijving 5). Waarschijnlijk is de huidige dijk voor een groot deel aangelegd op oude oeverwallen. Het kan geen toeval zijn dat er zoveel vondsten gedaan zijn onmiddellijk langs de dijk en onder in het dijklichaam. Bovendien is het heel logisch dat vroegere bewoners bij het zware karwei dat het aanleggen van een dijk was en de primitieve middelen die zij ter beschikking hadden, gebruik gemaakt hebben van alle verhogingen in het landschap.

Grafvelden

In 1983 wisten we niet van het bestaan van een Romeins grafveld aan de Angerensestraat en het Merovingische aan de Munnikhofsestraat.

De mensen die in het grafveld aan de Angerensestraat begraven zijn, woonden hoogstwaarschijnlijk rondom de Loohof en mogelijk zelfs op de Woerd in Doornenburg. Vier graven, die zestig tot negentig cm onder het maaiveld lagen, zijn blootgelegd. Er is alleen maar materiaal gevonden uit de 2e eeuw n. Chr. en deze fase is volop aanwezig op het terrein van de Loohof. We weten niet hoeveel graven het hele veld bevat; want de rest is niet opgegraven, omdat het niet bedreigd is (beschrijving 1). De bewoning bij het grafveld aan de Munnikhofsestraat is een heel ander verhaal. De hier gevonden voorwerpen dateren uit de 7e eeuw en in de naaste omgeving van dit grafveld is nog geen nederzetting uit deze tijd bekend. Het was niet gebruikelijk om met de overledene ver te reizen naar de laatste rustplaats. Over het algemeen was de afstand tussen woonplaats en grafveld 100 tot 150 meter. De dichtstbijzijnde nederzetting die wij uit die periode kennen, lag op de oeverwal rond de Woerd in de Kapelstraat-Woerdsestraat. (Niet te verwarren met de Woerd in Doornenburg). Deze relatief lange afstand naar de Munnikhofsestraat lijkt aan de grote kant. In de buurt van de inheemse woning bij de scheepswerf is enig Merovingisch aardewerk gevonden. Werden de bewoners van deze plaats hier in dit grafveld begraven? (beschrijving 8)


Deel 2

Beschrijving van een aantal vondsten door de sectie

1. Grafveld aan de Angerensestraat3

In het voorjaar van 1984 begon de heer F. Groot-Zevert met de aanleg van een drijfstal. Bij het uitgraven van de grond stuitte hij op – naar hij dacht – een bloempot. In en nabij de pot trof hij botresten aan. Uit onderzoek dat de sectie archeologie deed in samenwerking met W. Tuijn (voorzitter van de afdeling Nijmegen van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland), bleek dat het ging om resten van een deels verstoord crematiegraf. Naast de crematieresten die op 95 cm onder het maaiveld lagen, troffen we twee kommetjes en een bord aan. Op 66 cm diepte vonden we een tweede graf met een bekertje, een oorpotje en een kledingspeld (fibula). Beide graven moeten in de 2e eeuw gedateerd worden. Er was er nog een derde graf uit dezelfde fase, maar daarvan kon alleen de plaats vastgesteld worden.

Zeven jaar eerder was er op zo’n 125 m ten zuidwesten van deze stal eveneens aardewerk gevonden.

Dat zuinigheid of krenterigheid zoals hij het zelf noemde, kan leiden tot de misschien wel de rijkste archeologische vondst van Gendt, blijkt uit het verhaal van A. Pauwels uit de Angerensestraat. Hij was niet aangesloten bij de gemeentelijke vuilophaaldienst, omdat hij dat te duur vond. Om zijn huisvuil kwijt te raken, groef hij kuilen om daarin de troep te dumpen. Toen de zoon van Pauwels in maart 1977 weer een gat aan het graven was, vond hij enkele scherven. Gewaarschuwde medewerkers van Museum Kam uit Nijmegen en de ROB vonden zeven vrijwel gave voorwerpen uit het midden van de 2e eeuw: twee kruiken, twee kommen, een beker, een bord en een olielampje.

Uit beide vondsten kan geconcludeerd worden dat er waarschijnlijk sprake is van een groot grafveld.

 

2. Woonkernen in Flieren4

In 1983 stond al vast dat het terrein van de Loohof bewoond was in de late IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Toen al was het terrein zo belangrijk dat het een jaar eerder tot archeologisch monument verklaard werd. Vanaf 1983 heeft de sectie daar regelmatig veldverkenningen uitgevoerd. Uit vondsten van o.a. aardewerk, munten, mantelspelden en spinsteentjes is gebleken dat het gebied ook bewoners gehad moet hebben in de overgangstijd van de vroege naar de midden IJzertijd, de hele Romeinse tijd, de Karolingische tijd en – niet zo verwonderlijk – de late Middeleeuwen. Dat betekent dat er op de Loohof, met uitzondering van de Merovingische tijd, vanaf ongeveer 700 v. Chr. onafgebroken bewoning is geweest. Opmerkelijk is dat de bewoning van het Kempke juist in de Merovingische tijd begint. Zijn de bewoners van de Loohof rond 400 naar het Kempke vertrokken? En waarom? Wateroverlast kan het niet geweest zijn, want uit onderzoek van de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka) uit Wageniningen is juist gebleken dat de Loohof hoger ligt dan het Kempke. Aannemelijk is dat een deel van de bewoners van het laatste gebied in de Karolingische tijd teruggekeerd is naar de Loohof. Het Kempke is vanaf de Merovingische tijd permanent bewoond geweest met de dichtste bewoning in de periode 400-1000. Dicht in de buurt van het Kempke is een schitterende vondst gedaan; in 1983 trof mevr. Schouten-Otemann daar een gouden munt aan met de beeltenis van keizer Anastasius die van 491 tot 518 heerser van het Oost-Romeinse Rijk was. De munt is mogelijk geslagen door de Visigothen, die woonden in Zuid-Frankrijk of Noord-Spanje. Wie de munt bewonderen wil, moet daarvoor naar museum hetValkhof

3. Vroege IJzertijd op de Loohof5

Veel mensen lopen alleen warm voor archeologische vondsten wanneer onderzoekers op de proppen komen met spectaculaire ontdekkingen: een pot met gouden munten of een graf gevuld met bijzondere bijgaven. Zoiets is veel geld waard en het haalt de kranten. Het betekent niet automatisch dat zo’n vondst een hoge wetenschappelijke waarde heeft. Van de andere kant kunnen onooglijke scherven een nieuw of duidelijker licht werpen op onderzoek. Zoiets overkwam de sectie archeologie in juni 1996 toen de eigenaar van de Loohof een nieuwe fruitloods bouwde. Het is eigenlijk vloeken in de kerk om hier enthousiast over te zijn, want bij bouwwerkzaamheden moet gegraven worden en dat mag in een archeologische monument alleen onder de strengste voorwaarden. Nadat eerst een funderingssleuf gegraven was met een diepte tussen 96 en 120 cm, groef een grondwerker machinaal het binnenvlak weg tot 32 – 55 cm onder het maaiveld. We vonden o.a. een brandplaats en een afvalputje met veel materiaal uit de midden IJzertijd. Maar het meest interessant waren de twaalf stukjes – dus geen hele potten – aardewerk. Fragmenten, maar voor Gendt van groot belang, omdat deze twaalf stukjes stammen uit de vroege IJzertijd. De fragmenten vormen een krachtig bewijs dat de Loohof in die tijd al bewoond was.

4. Bewoningssporen aan de Linge6

Bij de aanleg in 1999 van het toeristische fietspad langs de Linge ‘aan de Angerse kant’, werd aan de andere kant van het riviertje een strook grond weg gegraven om een drassig ecologisch gebiedje te creëren. In dat terrein vonden we over een lengte van ongeveer 100 meter, te beginnen bij de oude boerderij van Stapel en gaand in de richting van het Broek, bewoningssporen. Bij bestudering van een kaartje dat John Mulder van Stiboka in 1983 voor het boek Gendt 750 jaar stadsrechten had getekend met daarop de oeverwallen, vermoedden we dat in dat gebied mogelijk bewoning geweest moest zijn. Maar omdat er nooit iets gevonden was, lieten we de zaak rusten. Nu troffen we echter ongeveer 400 fragmenten aardewerk aan waarvan de vroegsten (en de meesten) dateren uit de 1e eeuw. Net als op de Loohof zijn alle archeologische perioden aanwezig met uitzondering van de Merovingische tijd. Maar er is iets dat deze vondst speciaal maakt. Meer dan de helft van het Romeinse aardewerk, 54%, is van uitheemse oorsprong; gebakken in België, Frankrijk en Italië. Bij alle andere vondsten in Gendt komt het percentage uitheems nooit verder dan vijf. Waren de bewoners rijker zodat ze zich niet hoefden te behelpen met het goedkopere inheemse vaatwerk?

En er is nog iets. Uit dezelfde periode, dus vooral 1e eeuws, is Romeins aardewerk in ongeveer dezelfde percentages aangetroffen bij boerderij het Meer in Angeren. Behoorden die bewoners tot dezelfde inheemse bevolkingsklasse die door contacten met de in Nijmegen gelegerde Romeinen er een hogere levensstandaard op na kon houden?

 

5. Een nederzetting uit de IJzertijd7

Niet iedereen was even blij met de dijkverzwaring die het toenmalige Polderdistrict Over-Betuwe van 1990 tot 1995 aan het dijkvak tussen Haalderen en Doornenburg uitvoerde. Veel oud cultuurhistorisch materiaal dreigde verloren te gaan. Maar voor de sectie archeologie is zo’n megaproject een buitenkansje, want er gaat veel grond op de schop. De meest verrassende ontdekking werd in juni 1990 gedaan toen in de buurt van de scheepswerf, maar binnendijks, een deel van een plattegrond van een woning uit de IJzertijd tevoorschijn kwam. Jammer genoeg was de zwarte bewoningslaag al bijna weggehaald, zodat we de sporen daarvan nog nauwelijks konden onderzoeken. We konden nog wel constateren dat de bewoningslaag tussen 75 en 100 cm beneden het maaiveld lag. Duidelijk waren de verkleuringen van paalgaten en afvalkuilen waar te nemen. We vonden enig materiaal vanaf de Romeinse tijd, maar IIzertijdfragmenten waren verre in de meerderheid.8 Om een aantal voorbeelden te noemen: twee weefgewichten, vijf spinklosjes, twee bronzen munten, een ijzeren pijlpunt en drie fragmenten van glazen La Tène armbanden. In de afvalkuilen troffen we veel botmateriaal aan. Merkwaardig is het geringe percentage varkensbotten, maar 5,5% tegenover 55% rund, 33% schaap en geit, 5% paard en 1,5% hond. Het lage percentage varkensbotten blijkt typerend te zijn voor de inheemse bewoning in ons gebied in de 1e eeuw n. Chr. De archeoloog Lauwerier publiceerde in zijn proefschrift over Heteren 1 en Ewijk 1 hetzelfde beeld: weinig varkensvlees op tafel. Hebben de Bataven hun varkens aan de Romeinen verkocht? In Nijmegen zijn juist veel varkensbotten aangetroffen.

Aannemelijk is dat in noordwestelijke richting verdere bewoningssporen kunnen voorkomen,omdat zich daar in het landschap een duidelijke verhoging aftekent. Mogelijk is hier sprake van Merovingische bewoning6. Van het café van Hendrik Cornelissen tot de Munnikhof.

Uit onderzoek tijdens de dijkverzwaring hebben we geconstateerd dat er op de strook langs het dijkvak tussen het café en de Munnikhof binnendijks onafgebroken bewoning is geweest vanaf de Romeinse tijd tot heden. Met een metaaldetector zijn vele vondsten gedaan zoals een ogen-fibula (open ogen), een verzilverde bronzen afdekplaat van een inktpot uit de 1e eeuw en een bronzen ring met een diameter van 17 mm.

 

7. Een vroeg inheems Romeins afvalputje9

In de onder nr. 6 genoemde strook ontdekten we op ongeveer 65 cm onder het maaiveld een donkere verkleuring met een doorsnede van 190 cm. Toen we die coupeerden, vonden we op 45 cm onder het uitgegraven vlak een afvalkuil met 82% inheems Romeins en de rest Romeins aardewerk uit de eerste driekwart eeuw van onze jaartelling. Sommige fragmenten hadden simpele versieringen.

8. Een Merovingisch graf(veld)10

 

In november 1991 tipte een bewoner uit Hulhuizen de sectie archeologie dat hij bij grondwerkzaamheden een stukje van een schedel gevonden had. Toen hij verder groef vond hij een skelet, een zwaard en een mesje. Hij dacht met een gedode soldaat uit de Tweede Wereldoorlog van doen te hebben en daarom schakelde hij de politie in. Toen die zagen dat het om een veel oudere vondst ging, raadden die hem aan contact op te nemen met de historische kring. Die schakelde op haar beurt de AWN en de ROB in. Geconcludeerd werd dat het om een Merovingisch graf ging en dat het zwaard een langsax was. De constatering dat er waarschijnlijk sprake was van een grafveld, werd zes jaar later bewaarheid.

In september 1997 had de heer W. Visser aan de Munnikhofsestraat 21A enkele fruitbomen gerooid om die te vervangen door jonge aanplant. Toen hij een gat maakte om een paaltje in te graven om een boom te steunen, vond hij op ongeveer 35 cm diepte enkele menselijke botten, een bronzen ring en gesp. Uit onderzoek onder leiding van de archeologische inspectie in samenwerking met de sectie bleek dat het ging om een Merovingisch grafveld met crematie- en inhumatiegraven uit de 6e of 7e eeuw. Omdat de graven door de ligging op geringe diepte ernstig verstoord waren, was niet precies vast te stellen hoeveel personen er begraven lagen, waarschijnlijk vier of vijf. Van drie overledenen is iets meer bekend. Het gaat in alle drie de gevallen om vrouwen; dat is vastgesteld door o.a. het bekken te bestuderen. De vrouw in graf 1 moet tussen de 18 en 25 jaar geweest zijn en was tussen de 1.60 m en 1.62 m lang. De leeftijd van de tweede vrouw moet volgens de onderzoekers tussen de 15 en 18 jaar gelegen hebben. De situatie in dit graf was gecompliceerd, omdat er nog twee losse schedelfragmenten gevonden zijn. Hier lagen dus drie personen door elkaar. In het derde graf lag een volwassen vrouw van tussen de dertig en veertig jaar, die gezien de sterk ontwikkelde spieraanhechtingen zeer zwaar werk gedaan moet hebben.

9. De Woerd11

De Woerd is een van de drie oudste bewoningsplaatsen van Gendt, zo is in het verleden al aangetoond. Daarnaast kwamen vondsten uit de Romeinse tijd aan het licht in 1991 bij de aanleg van een nieuwe oprit bij een huis aan de Woerdsestraat, ten noordwesten van het archeologisch monument de Hoge Hof. De Hoge Hof wordt begrensd door Angerensestraat, Kapelstraat en het noordelijke deel van de Woerdsestraat. Even verder naar het zuiden, aan de andere kant van de Kapelstraat troffen we in 1995 sporen aan van huizen die op de oeverwal gestaan hebben. Bovendien vonden we keramiek uit de periode late IJzertijd tot en met de Middeleeuwen.

Conclusie

Wat heeft 25 jaar onderzoek door de sectie archeologie van de Historische Kring Gente nu opgeleverd? De resultaten kunnen in drie categorieën verdeeld worden.

1. Van veel veldwerk dat we gedaan hebben, liggen de resultaten in het verlengde van eerder (bescheiden) onderzoek. Zo was bekend dat er op diverse plaatsen in Flieren, o.a. op de Loohof, Romeinse bewoning geweest was. Maar de Romeinse begraafplaatsen in Gendt waren tot de vondsten in de Angerensestraat onbekend. Dat geldt ook voor de bewoningssporen langs de Linge; het was verrassend dat op die strook de verhouding inheems Romeins – Romeins doorsloeg naar de laatste categorie. De sectie heeft met een zeventigtal vondstgebieden een duidelijker beeld gekregen van de oude bewoning van Gendt.

2. Door de vondst in 1996 van fragmenten bij graafwerkzaamheden voor de fruitloods op de Loohof heeft de sectie onomstotelijk aangetoond dat er op die plaats mensen gewoond hebben in de vroege IJzertijd. Dat betekent dat Gendt al 2700 jaar geleden bewoond was.

3. Echt nieuw zijn de inzichten die ontstaan zijn uit de vondsten tijdens de dijkverzwaring in het begin van de jaren negentig. Aan de hand van de gevonden materialen naast en tegen het dijkvlak in Hulhuizen is er een nieuw bewoningsgebied aan de geschiedenis van Gendt toegevoegd. Duidelijk is geworden dat er in dat gebied vanaf ongeveer 70 v. Chr onafgebroken bewoning geweest is. Daarmee hebben de drie oudst bekende woonkernen in Gendt gezelschap gekregen van een vierde.

 

Literatuur

Bijvanck, A.W., Nederland in den Romeinschen tijd, Leiden 1943-1945.

Bogaers, J.E. en J.K. Haalebos, Opgravingen in de Romeinse legioenvestingen. Canisiuscollege, Hoge Veld 1975-1977, Leiden 1980.

Bredie, A., Toegang tot het verleden van de dorpen Ressen–Doornik, Bemmel, Haalderen, Gendt, Doornenburg, Angeren, Bemmel 1970. Broeke, P.W. van den, ‘Bewoningssporen uit de IJzertijd en andere perioden op de Hooidonksche Akkers, gem. Son en Breugel, prov. Noord-Brabant’, in: Ana-Jecta Praehistorica Leidensia, jrg. XIII (1980), pp. 7-80.

Broeke, P.W. van den, ‘De dateringsmiddelen voor de IJzertijd van Zuid-Nederland’, in: Sanden,

W.A.B. en P.W. van den Broeke (red.), Getekend Zand. Tien jaar archeologisch onderzoek in Oss-Ussen, Waalre 1987, pp. 23-43.

Dinnissen, M.H., Bronnen voor de geschiedenis van Gendt, Gendt z.j.

Gose, E., Gefässtypen der Römischen Keramik im Rheinland, Kevelaer 1950.

Haalebos, J.K., ‘Fibulae uit Maurik’, in: Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van

Oudheden te Leiden, Supplement 65, Leiden 1986.

Hendriks, A., e.a., ‘Vroeg-middeleeuwse bewoning op het Kempke’, in: Jaarverslag 1988, AWN, afd.

Nijmegen e.o., Nijmegen 1989, pp. 19-21.

Holwerda, J.H., De Belgische waar in Nijmegen: beschrijving van de verzameling van het museum G.M. Kam te Nijmegen, z.p. 1941.

Hulst, R.S. van, ‘Archeologische kroniek van Gelderland’, in: BMG 1986 en 1987, pp. 151 en 127.

Lijst van onroerende archeologische monumenten in de Gemeente Gendt.

Lauwerier, R.C.G.M., Animals in Roman times in the Dutch eastern river area, ’s-Gravenhage 1988.

Otemann, W., e.a., ‘Meer over de oude bewoning van de Loohof te Gendt’, in: Jaarverslag 1986,

AWN afd. Nijmegen e.o., Nijmegen 1987, pp. 18-19.

Stuart, P., Een Romeins grafveld uit de eerste eeuw te Nijmegen. Onversierde terra sigillata en gewoon aardewerk , Leiden 1976.

Stuart, P., Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de bijbehorende grafvelden te Nijmegen, Leiden 1977.

Willems, W.J.H.W, Romans and Batavians: a regional study in the Dutch eastern river area, Heerhugowaard 1986.

Wolters, J., Gendt aan de Waal. Geschiedenis van een landelijk gemenebest, Tiel z.j.

 

—————————————

1Bijdragen aan het werk van de sectie leverden Wim Otemann, Aad Hendriks, Henk Leensen, Gerard Janssen en Jaap Hulshof. Diverse malen hebben Cor Nijenhuis en Harrie Hendriks van de Historische Kring Huessen assistentie verleend. Een deel van de determinatie is gedaan door de voormalig Nijmeegse stadsarcheoloog Jan Thijssen en Rob Reijnen. Peter Vissers heeft geholpen bij de redactie van een aantal publicaties. Bijzondere dank gaat uit naar Wim Tuijn, voorzitter van de AWN afd. 16 (Nijmegen) op wie de sectie nooit vergeefs een beroep heeft gedaan. De sectie dankt Geert Visser voor de hulp bij dit hoofdstuk.

2Het ROB had opgravingen verricht bij o.a. de hervormde kerk en de Poelwijk. Naast het ROB was er enig veldonderzoek gedaan door Bijvanck, Dinnissen, Wolters en Bredie.

3‘Romeinse graven in een drijfstal’, in: Publicaties HKG, Archeologie, bijdrage 2, 1985.

4‘Twee oude woonkernen op De Flieren en hun verschil’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 5, 1989.

5‘Een nieuwe fruitloods op de Loohof’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 13, 2002.

6‘Bewoningssporen aan de Linge’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 12, 2001.

7‘Een onverwachte IJzertijd nederzetting’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 6, 1991.

8Het totale gewicht van de vondsten was 24,5 kg; 1,4 kg daarvan was Romeins of recenter. De rest stamt dus uit de IJzertijd.

9‘Een vroeg Romeins afvalputje te Gendt’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 8, 1992.

10‘Een onverwachte IJzertijdnederzetting’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 6, 1991. ‘Een Merovingisch graf(veld?) in Gendt’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 7, 1991. ‘Grafveld Visser’, ongepubliceerd materiaal, 1998.

11‘Een nieuwe oprit’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdragen 9, 1994. ‘Wegcunet door oeverwal’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 10, 1995. ‘In de omgeving van een monument’, in: Publ. HKG, Archeologie, bijdrage 11, 1997.

 

Zie ook: archeologie van Gendt